Waarom naar de kerk? (2)

19 februari 2011

Waarom zou ik naar de kerk gaan? Die vraag beantwoordde prof. dr. A. A. van Ruler in 1971 met zeventien antwoorden in evenzoveel hoofdstukken van een lezenswaardig boekje. We volgen hem in deze serie op de voet; nu in hoofdstuk 2, waar boven staat: Om een gewoonte vol te houden.

‘Hoe mager ook, het is in ieder geval een antwoord’, tekent Van Ruler er zelf in zijn inleiding bij aan. In de vijf pagina’s die dan volgen, somt hij minstens zes punten op om aan te tonen dat gewoonte nog niet zo’n slechte reden voor de zondagse kerkgang is.

  1. Is behoefte niet veel beter dan gewoonte? Ja, zegt Van Ruler, maar: ‘Een mens die zichzelf een beetje kent, zegt niet zo gauw: Ik ga alleen als ik er behoefte aan heb. Want hij weet: die behoefte is er niet zo machtig vaak.’
  2. Een gewoonte is niet per se sleur; dat kan ook een kwestie van stijl zijn. Zo breng je ‘met de kerkgang de melodie van de eeuwigheid in de muziek van de tijd.’
  3. Gewoonte als plicht; dat is ook niet verkeerd. ‘Brengt geloven niet de plicht met zich mee om naar de kerk te gaan? Diepste vraag: Heeft de mens, die schepper en zondaar is, tegenover God, die Schepper en Verlosser is, niet de plicht om voor Zijn aangezicht te verschijnen?’
  4. Een bijzonder waardevolle kant van gewoonte vindt Van Ruler ‘dat die ons bevrijdt van die verschrikkelijke noodzakelijkheid om elke keer weer te moeten beslissen. Zo worden plooien in het leven gestreken. De stijl blijft erin. De plicht wordt gaandeweg tot een lust.’
  5. Er zit ook een kant van gemeenschappelijkheid aan. ‘Wat is een club van zeven, als er telkens twee niet komen opdagen? Een zaak drijft op z´n vaste klanten.’
  6. ‘Men kan’, schrijft Van Ruler, ‘via het bewust willen volhouden van deze gewoonte er zo aan gewend raken, dat men er eenvoudig niet meer buiten kan. Men drijft de hele week op z´n zondagse kerkgang. Men teert op het evangelie en de lofprijzing, het leven door, tot op z´n sterfbed.’

J. Reijnoudt

Zie ook:


Terug naar het nieuwsoverzicht