Donkere dagen

Om over na te denken

4 oktober 2011

Matthéüs 11:28
Matthéüs 7:1 t/m12
Psalm 146

Donkere dagen

Het is koud en het miezert, donker en star staan de natte boomstammen kaal langs de kant van de weg. Het bruine en okergele blad ligt op elkaar geplakt op de grond in het bospad. Mijn stemming wordt er niet beter op. Ik heb een hekel aan deze donkere dagen. Ik word hier altijd pessimistisch van, maar vandaag is het nog veel erger, na dit hart verscheurende telefoontje, wat ik zo juist ontving.
Hoewel ik altijd van de natuur geniet, en daar bijna altijd, rust en troost in vindt, lukt dat tot op heden niet. Maar, er worden opklaringen voorspeld en dan wordt alles lichter in het bos, misschien kan ik dan weer een lichtstraaltje zien, die mij zal helpen, om deze moeilijke tijd door te komen.
Want dat vind ik altijd een heel mooi gezicht, vooral zomers als de bomen rijk in het blad staan en er vele zonnestralen tussen de bladeren door breken en er lichtbundels laten zien. Vanuit de hemel, zo rechtstreeks naar de aarde, prachtig. Maar vandaag, zou iets in de natuur, mij vandaag kunnen bemoedigen en op vrolijke, nee, vandaag gaat dat vast niet op. Ik denk aan 't volgende gedicht wat ik onlangs maakte, toen ik ook depri was en riep tot God om hulp; wat mij toen wél ruimte en kracht gaf.

"Ik kom tot U"

Ik kom tot U Heer, met mijn zorgen
vele zorgen groot en klein,
voor andermans ogen goed verborgen,
wilt Gij o Heer mijn helper zijn.

Ik kom tot U Heer, met mijn vragen,
met mijn twijfels telkens weer,
'k ben wéér zo terneergeslagen,
redt Uw zinkend kind o Heer.

Ik kan wel roepen, gillen, brullen,
help, o help mij toch o Heer,
'k ben teleurgesteld verbolgen,
kan 'k niemand vertrouwen Heer ?

Ik kom tot U, met al mijn pijnen,
in mijn hart woont nu venijn,
zo kan 'k o Heer Uw kind niet wezen,
maak Uw kind o Heer weer rein.

Ik kom tot U Heer, zie ik faalde,
ik faalde zo een zondaar doet,
'k zag wéér niet, Uw ster die straalde,
met Zijn sterke held're gloed.

Leer mij telkens weer te vragen,
"wat wilt Gij Heer, dat ik doe",
wilt U helpen lasten dragen,
opdat ik Heer word minder moe.

Alléén met U Heer, kan ik verder,
alleen met U deez aardse reis,
wilt U, zélf mijn koffer dragen,
"Uw Zoon", betaalde toch mijn prijs.

Ik bedenk, dat ik net zo goed in mijn bed had kunnen blijven, daar was het lekker warm, ik dacht nog, "zal ik opstaan, of maar blijven liggen". Maar dat is onzin natuurlijk, hier geef ik niet aan toe, het leven gaat verder, ook na teleurstelling en verdriet. Dan gaan mijn gedachten naar Psalm 146 vers 3 " Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is". Wat had ik hen lief, wat hebben vele mij teleurgesteld, zouden die wonden ooit genezen?
Maar ook Micha 7 : 5 komt bij mij boven, "Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op je voornaamste vriend; bewaar de deuren uw mond voor hem, die in uw schoot ligt. " O, wat heb ik mijn hart bloot gelegd, wat heb ik daar spijt van. Maar ik moet verder in dit leven, de tijd kan en mag niet stil blijven staan, ik moet verder, ook al lijkt het, of ik vast gezogen zit in het drassige bos, ja alsof ik in druifzand terecht ben gekomen, ik ben gevangen in mijn eigen verdriet. "O Heer, ik ben al zoveel personen kwijt geraakt waar ik zoveel van heb gehouden, Heer het is zo moeilijk, steeds weer afscheid te moeten nemen", met kramp in mijn hart, ja gehéél verkramt, loop ik hier rond, ik bid en smeek, telkens opnieuw in stilte, "O Heer, help mij alstublieft, verzacht mijn verdriet, wilt U de pijn van het verlies wegnemen en een plaatsje geven, zodat ik er mee leven kan, ik smeek het U, om Jezus wil". Maar dan denk ik "God, o God, wordt toch a. u. b niet boos, dat ik stééds weer, telkens opnieuw tot U kom, ik kan het zonder U niet aan". Maar U zegt toch ook zelf in Uw woord, "Bidt zonder ophouden" Dat geeft me ook weer hoop, dat U me wél, weer horen wil. Maar 'verhoren', is iets wat anders is, dat doet U op Uw eigen tijd en wijze. Dat is goed, ook al begrijp ik er niets van waarom dit “aardse leven”, toch zo moeilijk en zwaar wezen moet. Maar U weet beter dan wie ook "waartoe", en dat geeft weer kracht en steun. Ik denk nu aan de woorden uit Spreuken 3 vers 11 en 12; Mijn zoon, (mijn dochter) verwerp de tucht des Heren niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding. Vers 12 Want de Heer kastijdt die HIJ liefheeft, ja gelijk een vader de zoon, in welke hij welbehagen heeft. Als opvoeding, als loutering, zoals het goud beproefd wordt in het vuur, zo werd ook Job beproefd en Abraham, (Genesis 22) toen God aan Abraham vroeg, om Izak te offeren, God wilde zien, of Abraham zoveel van God hield, of hij bereid was, dat grote offer te brengen, ja ook daarin op God te vertrouwen. Hij moet ook gedacht hebben, hier begrijp ik niets van, God heeft beloofd, dat mijn nageslacht zo groot zal zijn, meer dan de sterren aan de hemel, en meer dan de zandkorrels aan de oever van de zee. Hoe kan God dan nu zeggen “offer je zoon aan MIJ”. Maar Abraham gaat op weg, geheel vertrouwend op God, wat God beloofd heeft, dat doet Hij ook.
Daarom zegt hij ook tegen zijn knechten, onderaan de berg, “blijft gij hier,als “wij” geofferd hebben, komen “wij” terug. En als Izak vraagt, “vader wij hebben vuur en hout, maar waar is het lam”, dan zegt Abraham vol vertrouwen, “God zal Zelf voor een lam ten offer voorzien”. Wat een innerlijke strijd zal Abraham gehad hebben, maar hij vertrouwt op Zijn God. Wat een beproeving , wat een rotsvast geloofsvertrouwen. En ik, blijf ik ook door alle zorgen en moeite heen op God vertrouwen, want ik mag weten, dat God reeds Zijn Zoon, naar de aarde heeft gestuurd, om voor onze zonden en fouten “Zijn Lichaam te offeren aan het Kruis”, ik hoef geen kind te offeren, “niet letterlijk”, maar HIJ werd geofferd, voor mij, de zondaar, van wie God zoveel houd. Wat een liefde, wat een trouw van Gods kant, voor ons mensen, niet te begrijpen. Om stil van te worden, heel stil, en eerbiedig, zo groot van Gods kant. Dan voel ik me geleidelijk aan rustiger worden, lopend daar in het bos en mijn gedachten gaan nu ook naar andere dingen. Bijvoorbeeld naar een gedicht wat ik maakte, toen het mooi hélder weer was. Dat was op een dag, toen ik me heel goed voelde en alles zover ik wist, wél op rolletje liep en ik op de toppen van mijn geloof liep, ja me heel erg tevreden en gelukkig voelde, me gedragen wist, door het gebrachte "bloed offer" van Jezus Christus, waarmee HIJ alle zonden van de wereld heeft weggedaan.
Maar ook de woorden van Jesaja 1 vers 18 b "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al ware zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Toen wist ik het zeker als ik al mijn fouten en zonden van elke dag, maar aan God voor leg, in mijn gebed, dan wil HIJ ze vergeven. Wat een Vriend en hulp, aan zo'n schouder heb je wat. HIJ, die je troost en je verder draagt door het moeilijke leven.

"Mijn Vriend",

Ik houd van U,
ik houd van U Heer, als een meisje,
die haar vriend ten zeerste mint,
ik houd van U Heer, U als Vader,
ik als klein aanhank'lijk kind,
zonder U kan ik niet leven,
zonder U geen enk'le dag,
zonder U geen enk'le reden,
als 'k in U niet wezen mag,
U Heer, bent mijn levensader,
U, bent de zuurstof in mijn bloed,
zonder U, heeft niets meer waarde,
warm mij, met Uw heil'ge gloed,
U mijn God, U bent mijn Alpha,
ja U bent mijn Omega,
berg mij eeuwig in Uw vesting,
'k vertrouw op U, op Uw gena.

Zo al denkend, zoekend, biddend in het o zo stille bos, krijg ik weer die rust en kalmte, dat geloofsvertrouwen, dat ik zeker mag weten, dat Gij ook in deze dingen, het goede met mij voor hebt. Dat staat immers in de Doop belofte," IK zal het kwade van u weren, of, zal het ten beste keren" Daarop mag ik bouwen en vertrouwen, dat niets gebeurt tegen Gods wil, ik moet berusten in Gods leiding in mijn leven. Dan komen ook de woorden van 1 Corinthiërs 10 : vers 13 in mijn gedachten, "God zal mij beproeven, maar met de beproeving, zal HIJ ook uitkomst geven, HIJ zal mij "niet zwaarder beproeven, dan ik dragen kan", want God is getrouw", zo geeft God weer licht, ruimte en troost, als ik me er maar voor open stel. Hoe noemt men dat ook weer in het dagelijks leven, o ja "positief blijven denken", maar dat is wel heel makkelijk gezegd. Maar, ik moet mijn zinnen verzetten zoals dat heet, daarom ging ik toch wandelen en afleiding zoeken, Gods hulp zoeken in de rust van de natuur. Opnieuw stijgt een stil gebed naar boven, "Heer open nu mijn ogen, voor Uw grootheid, hier in dit bos, leer mij steeds op U vertrouwen", en steeds weer eindigen mijn overdenkingen, met de woorden en de bede, "Heer, maar UW wil geschiede".
Overal in het bos liggen omgewaaide bomen en afgewaaide takken verspreid op de grond, wat is de storm tekeer gegaan, wat is er veel vernield, maar, ook dat is natuur. De kracht van de wind , die je wel ziet rukken aan de takken, hoort loeien om je huis. Maar de wind zelf kun je niet zien, dat geeft toch iets angstigs. Iets van de macht van God, die laat weten, Ik ben de Schepper van hemel en aarde, "Ik" heb de wereld in mijn hand. Ja wat stormde het gisteren, het was om bang van te worden, ik zie ook afgeknapte bomen liggend op de grond, of hangend tussen de andere bomen die hun val gebroken hebben, zij hebben de omgewaaide bomen als het ware opgevangen, ja omarmd, alsof ze zeggen wilde, " laat je maar vallen hoor, ik vang je wel op, kom maar, ik houd je wel vast". Maar ze zijn ook, als luciferhoutjes afgebroken, wat een kracht, is daar voor nodig, er zijn ook bomen met wortels en al uit de grond gerukt. Hoeveel stormkracht is daar voor nodig, als ik bedenk, dat bij een aanrijding met een auto tegen de boom, vaak alleen een stuk van de boomschors af is. Maar de boom zelf, staat vaak nog fier overeind en heeft de aanrijding overleefd. Daar ligt de rest van 'n boomstronk en wat staat daar bovenop die verrotte stronk, een groep prachtige paddestoelen, op vergane glorie, prijkt daar nieuw leven. Dat doet me ook weer denken aan een gedicht wat ik maakte in januari na een vorst periode toen ik ook zo verwonderd was over het nieuwe leven wat zich al aandiende, nog midden in de winter, vlak ervoor hadden we nog geprobeerd de kerstboom weer in de tuin te planten, maar de grond was zo hard, geen kans van slagen, de bevroren grond gaf geen duimbreed toe. Maar een week later begon het te dooien en wat schertst mijn verbazing, nieuw leven wordt dan al heel snel zichtbaar.

"Ontwaakt",

Hebt u het al gezien o mensen,
hoe mooi weer de natuur ontwaakt,
hebt u 't al gehoord o mensen,
hoe God over alles heeft gewaakt,
want uit de pas nog zo bevroren,
en besneeuwde wintertuin,
ging van Zijn schepping niets verloren,
je hoort haast klinken, "Zijn bazuin",
want amper is de aard ontdooid,
of 't eerste wonder wordt voltooid,
zie, daar steken bolgewassen,
reeds hun eerste puntjes groen,
zij boorden zich naar d' oppervlakte,
alsof ze steeds naar zuurstof snakte,
want daar kunnen wij o mensen,
niets, nee niets aan helpen doen,
God zal zelf, voor alles zorgen,
in dit vroege voorjaar 's uur,
schenkt Hij, weer opnieuw dat wonder,
van die prachtige natuur,
doe uw ogen daar voor open,
zie, hoe groot uw Schepper is,
dat ook in ons hart gaan ontspringen,
nieuwe blaadjes groen en fris,
ja dat ook wij eens mogen dragen,
bloemen, vruchten tot Zijn eer,
van de lente, tot in de winter,
steeds in dienst, van onze Heer.

Wat een God heb ik, als ik deze dingen, maar mag, kan en wil zien, dan is er hoop voor mij en een zekere toekomst. Ik denk weer aan een voorbeeld wat ik eens hoorde, over een "borduurwerk", wij mensen kijken tegen de onderkant van het borduurwerk, een wirwar van kleuren en draden dwars door elkaar, je denkt wat moet dat voorstellen? Maar God, kijkt aan de bovenkant van ons menselijk borduurwerk, en zie een prachtig patroon is er te zien, precies elk steekje elk kleurtje op de juiste plaats. Want God alléén, weet wat het eind resultaat moet worden, God wéét wat Hij doet, want Hij is onze Schepper en Formeerder, wie weet er dan beter, wat er goed voor ons is. Want in Genesis 1 vers 31 staat: "En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie het was zéér goed. Wij mensen moeten steeds weer leren, niet het waarom te vragen, maar veel meer "waartoe" en er gerust op zijn, wij moeten elke dag ons leven in Zijn handen leggen en laten we maar denken "ik snap er niets van, waarom mijn leven zo verloopt, maar God wéét het wél, daar mag ik, nee, daar moet ik en daar wil ik op vertrouwen".
Daar waar wij mensen het niet meer zien zitten en er niets meer over is van ons zelf, daar is voor God niets verloren, o nee, daar, juist daar begint HIJ nieuw leven "op Zijn tijd en wijze", met ons zondige mensen. Zo las ik ook eens een mooie inleiding over Joh. 12:24; waar staat over de “mooie grote tarwe korrel”, zo mooi op zichzelf , maar wat als hij “niet gezaaid” wordt, dan gebeurt er niets mee, dan draagt hij verder géén vrucht, maar als hij in de grond gelegd wordt en begint te verrotte en er “niets” meer van die mooie grote korrel over is, dan begint hij te ontkiemen, en komen er nieuwe scheutjes naar boven, dan gaat hij veel vrucht dragen, zo is het met ons mensen ook, wij moeten niets van ons zelf verwachten, maar ons aan God over geven en vragen of HIJ ons gebruiken wil, in Zijn dienst.

Er is behoorlijk gesnoeid in het bos, overal liggen takken op de grond. Al wandelend raap ik een dennentak op, die zo midden op het pad ligt, waar vele wandelaars al over gelopen hebben. Ik ruik eraan, een heerlijke dennengeur verspreidt zijn charme, o wat ruikt dat lekker, daar kan toch geen parfum tegenop, diep, heel diep snuif ik de geur in heerlijk, een heerlijke rust gevende, aroma komt mijn neus binnen, wat een God, wat 'n Schepping. Ik denk nu ook, door het ruiken aan deze dennentak, dat ik eerder een herfst gedicht maakte, waarin ik de dennentak beschrijf en de herfst in volle glorie mag vertolken, tot meerdere roem en verheerlijking van onze Schepper.

"Herfsttooi", Genesis 1 : 11-13

Ik zie met veel bewondering aan,
hoe struik en boom verkleuren gaan,
vanaf de stam tot in de kruin,
worden bladeren rood, geel of bruin,
en zie het groen, 't zijn zoveel tinten,
't lijkt een feest, van kleur 'ge linten,
de herfstzon, geeft nog extra kleur,
versterkt die kruidige najaar 's geur,
kom toch mens, trek in die natuur,
ook al is 't er soms guur,
kom in die rood met purperen laan,
toch al die schatten gadeslaan,
geniet 't spel van licht en kleuren,
wrijf, een dennentak laat haar geuren,
dat wij dit moois aanschouwen mogen,
zien we 't wel met "open ogen",
ja kom toch mensen, kom en kijk,
geef lof de Heer, van 't Hemelrijk,
want wie bij 't zien van zoveel pracht,
nog twijfelt aan zijn Scheppingsmacht,
zal zo Zijn Heil 'ge Naam onteren,
wil door Uw Woord, o Heer ons leren,
Uw wonderen, Uw grote Macht,
te zien ook in Uw herfsttooi pracht.

Plots wordt het veel lichter in het bos, de zon breekt door, ik zie allerlei zaden en noten op de grond liggen, het is weer een bevestiging van God, alsof Hij zegt, " kijk zo zorg Ik voor dieren, zo zorg Ik ook voor jou, vertrouw maar op Mij". Het is alsof mijn ogen plotseling open gaan en ik een prachtig schilderstuk mag zien, waarin alles zo mooi en volmaakt is, dit is Gods schatkamer. Daarmee wil HIJ, mij vertroosten en bemoedigen. Dan komt psalm 146 vers 6; in mijn gedachten, zomaar spontaan, begin ik te zingen, midden in dit verlaten bos, waar de mensen mij niet kunnen horen. Maar God wél en daar wil ik graag voor zingen, mijn God en mijn toeverlaat, die mij kracht geeft tot overleven.

't Is de Heer, wiens mededogen,
Blinden schenkt het lieflijk licht:
Wie in 't stof lag neer gebogen,
Wordt door Hem weer opgericht:
God die lust in waarheid heeft,
Mint hem, die rechtvaardig leeft.

Dan word ik zo warm en blij van binnen, ik krijg “licht en ruimte”, maar vooral rust, een diepe rust, komt mijn hart binnen, zo bevrijdend en verruimend, zoveel “vrede en rust” daalt er in me, wat ik niet verwachtte, deed God met mij, ik ben weer verkwikt en versterkt, door Hem, die al mijn hulp en sterkte is.
Ik denk nu ook aan de woorden van Johannes 8 : 12 b "IK, bén het licht der wereld: die MIJ volgt, zál in de duisternis niet wandelen”, maar, zal "Het licht des levens hebben. "
Dan zing ik ook het éérste vers van psalm 146.

Prijs den Heer met blijde galmen;
Gij , mijn ziel, hebt rijke stof;
'k Zal zolang ik leef, mijn psalmen,
Vrolijk wijden aan Zijn lof;
'k Zal zolang ik 't licht geniet,
Hem verhogen in mijn lied.

Ja, "wél - geluk - zalig" is hij, die de God van Jacobs tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de Heer, zijn God is; dat lezen we in, psalm 146 vers 5 onberijmd. Als op handen gedragen, voor mijn gevoel, stukken lichter van zorgen, ga ik neuriënd op huis aan, wél koud tot op mijn botten, maar met een hart, wat overstroomd van warmte, voor mijn Redder in nood, mijn Verlosser en Heiland.
Ja de natuur, dit donkere klamme natte bos, heeft toch veel van mijn neerslachtigheid weggnomen, ik heb mijn zorgen in gebed bij God gebracht.
"Want wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot".
Mijn o zo zware koffer, vol met verdriet en zorgen, om een ieder die mij lief is, waar ik erg veel van houd, of gehouden heb, mensen, die toch altijd in mijn gedachten en gebeden zullen zijn en blijven, waar ik niet méér mee kan praten over God, maar waar ik wél, met God over kan praten, bij Hem, mag ik altijd komen, blijven smeken, "Heer wilt U hén niet vergeten, ook al denken zij, dat ze U niet nodig hebben en zelf alles in de hand hebben, Heer ik smeek U, laat U ze nooit los". Ja ik mag ze steeds voor Gods genade troon neerleggen. Daar mag ik ze ook écht achter laten. Ik neem de zorgen, die zo zwaar op mijn hart lagen, niet meer mee naar huis. In werkelijkheid is er niets veranderd, maar, mijn zorgen zijn "overgenomen", ik heb ze bij Hem gebracht, aan de voet van Christus Kruis. Nu mag ik met nieuwe moed, het leven van alle dag weer in, hopend en vertrouwend, dat God "ook mij" alles wil vergeven, waarmee ik andere, misschien pijn en verdriet heb gedaan. "Want wie zonder zonden is, werpen de eerste steen", Johannes 8 : 1 t/m 11 laat ik daar maar aan denken. Want zelfs dingen die ik uit "oprechte liefde" tot mijn naaste deed, of heb gezegd, kunnen op dat moment, ook andere misschien pijn en verdriet hebben gedaan. Daarvoor vraag ik nu, God om vergeving. Want wij mensen zien vaak alleen andermans fouten omdat we onze "eigen fouten niet kunnen of willen zien". Ik denk ook aan het volgende bijbel gedeelte Matthéüs 7 vers 1 t/m 5, waarin staat; "Haal eerst de balk uit uw eigen oog" opdat u zelf, beter kunt zien. En vergeef uw broeder, als hij met "oprecht berouw" tot u komt, om vergeving vraagt, want Ik zeg u, als u uw broeder niet vergeeft, zo zal ook uw Hemelse Vader, u niet vergeven. Matthéüs 6 vers 14 en 15. "O God, vergeef ook mij alles, wat ik in mijn leven fout heb gedaan, van mijn jeugd af, tot nu aan toe, maar ook tot in mijn laatste snik hier op aarde. ". Wat was er véél verkeerd, wat heb ook ik, vergeving nodig, elke dag opnieuw, wilt U, mij daar steeds van doordringen, éérst eigen fouten zoeken. Nadat ik een tijdje gedachteloos heb rondgelopen, begin ik weer te zingen en te neuriën, woorden die mij zo te binnen schieten.

Psalm 6: 1, 2 en vers 9

O Heer, Gij zijt weldadig;
Straf mij niet ongenadig,
In Uwe toornegloed,
Ai, matig Uw kastijden;
Sla mij met medelijden,
Gelijk een vader doet.

Vergeef mij al mijn zonden,
Die Uwe Hoogheid schonden",
Ik ben verzwakt o Heer!
Genees mij, redt mijn leven;
Gij ziet mijn beenderen beven;
Zo slaat UW hand mij neer.

De Heer wild' op mijn kermen,
Zich over mij ontfermen;
HIJ heeft mijn stem verhoord,
De Heer zal op mijn smeken,
Geen hulp mij doen ontbreken;
HIJ houdt getrouw Zijn Woord.

PaddestoelenThuis gekomen, zie ik dat de vuilnisman al is geweest. Ik neem gelijk de vuilnisbak mee naar achteren en wat zie ik tot mijn verbazing, als ik de vuilnisbak weer op zijn plaats terug wil zetten. Naast de boomschijf die daar altijd ligt en als hakblok wordt gebruikt, daar staan prachtige paddestoelen. Eén grotere met twee kleinere en één piep kleintje vlak bij elkaar in de kleur geelachtig oranje bovenop die boomschijf. En er achter en op de zijkant tegen het hakblok aan, staat een hele groep van twee verschillende soorten, licht beige en donker beige met grijs. Hoe ze heten? Dat weet ik echt niet, maar het is een prachtig gezicht, stonden die er al lang? Heb ik die nooit eerder gezien, waren mijn ogen gesloten, voor al deze wonderen van de natuur? Alweer een bewijs dat ik teveel met mijn verdriet bezig was en zo mijn ogen gesloten hield, voor ál het goede wat er wél was. Ik pak gauw mijn foto toestel, daar moet ik toch echt éérst een foto van maken, ik maak de foto van drie kanten, één van de bovenkant en één van de zijkant en één wat verder af, zodat de paddenstoelen er allemaal goed op komen en vereeuwigd worden.

Als ik binnenkom komt de warmte mij tegen, zo word ik weer "welkom" geheten in mijn huis. Dan zet ik eerst een kopje koffie, die ik me heerlijk laat smaken en mijn inwendige mens opwarmt. Dan ga ik direct kantoor in, ik heb behoefte, om nu alles op papier te zetten, alles van me af te schrijven, tot verwerking van mij zelf, maar ook als dank, aan God, die mij ook vandaag wéér, alles heeft gegeven, wat ik nodig had, zo mag ik met een bede en gedicht terug kijken op een dag als vandaag, waarop God weer Zijn Licht liet zien in mijn duisternis, HIJ zorgt voor mij dat weet ik zeker, eens komt álles goed.
Maar wel op ZIJN tijd en wijze. Daarom mag ik wel steeds om ZIJN Licht in mijn duisternis vragen, dan zal HIJ net als vandaag, steeds weer licht en ruimte geven, zodat ik het allemaal kan dragen.
Daarom een volgend en afsluitend gedicht.

"Leer mij zien"

Leer mij zien,
als 'k loop in 't duister,
leer mij zien, 'k ben ziende blind,
leer mij zien, Heer al Uw luister,
en geleid mij, als een kind,
open Heer, steeds wéér mijn ogen,
wees de loep Heer, in mijn oog,
zonder lens blijft alles duister,
kan 'k niet zien Heer naar omhoog,
laat mij zien, doorboorde handen,
laat mij zien, Uw kruis, Uw voet,
leer hoe eigen pover hand'len,
mij toch nergens voor behoed.
opent Gij Heer, oog en oren,
dan ben 'k niet langer blind en doof,
ja, dat ik het mag zien en horen,
dat Gij wilt geven, Kracht, Geloof,
vergeef stééds Heer, al wat U griefde,
maak mij horend, voelend, ziend',
Ja doordrenk mij, met Uw liefde,
blijft GIJ o Heer, mijn Kracht, mijn Vriend.

Hiermee hoop ik dat dit verhaal, tot lering, of tot troost heeft mogen zijn,
dat een ieder die ook in het “donker” leefde, ook door zijn of haar zorgen, het Licht niet zag, maar door Christus offer aan het Kruis, dat wél mag zien, het licht “ZIJN Licht”.
Maar bovenal, dat dit verhaal mag meewerken, tot meerdere glorie van God.

Elisabeth Mens van Wijk.


Zie ook