De vondeling

Om over na te denken

19 maart 2010

"Goede morgen", zegt Lenie, als haar collegaatje Alie binnenkomt. "Alie, wil jij ook een kopje koffie, ik schenk net voor mezelf in", "ja lekker dan pak ik even de krant voor we beginnen". Dat is zo de gewoonte, ruim een kwartier voor het begin van de werkdag op kantoor komen, even bij babbelen, een leutje drinken en even vluchtig de krant door nemen, zodat ze op de hoogte zijn, van het actuele nieuws voor ze beginnen met hun dagtaak.

Alie die gewoonlijk de hele dag door ratelt, (als ze niet hard aan het werk is), is even stil, als ze zit te lezen in de krant, maar dan zegt ze opeens, ach nee hé, "Lenie moet je horen wat er in de krant staat; "Net geboren baby, gevonden bij vuilcontainer"

Oh, wat erg, wat intens triest, net geboren en nu al weggegooid, als afval. Geschrokken en plots lijkwit vraagt Lenie, "is het dood"? Nee, de baby leeft nog wel, het heeft nog kans, te overleven, nu het snel gevonden is. Iemand dacht nog even snel wat bij de vuilcontainer doen, voor hij geleegd wordt, maar toen hoorde hij plotseling een baby huilen uit een verpakking naast de container en daar ontdekte hij de pas geboren baby, wel goed ingepakt tegen de kou, maar toch, weggedaan. "Wat een moeder hé, ze moesten haar", zegt ze! Wat een nood, denk ik, even later! Wat een zonde tegen "God de Schepper". Hoe groot moet die angst, paniek en vertwijfeling, geweest zijn, te ontdekken, oh, ik ben zwanger, wat nu? Met trillende handen en benen brengt Lenie de koffie bij Alie en leest het artikel mee. Als door de bliksem getroffen staat ze erbij. Gelukkig het kindje is niet vermoord, want dat lees je soms ook, eigen handig vermoord en in de vuilstort geworpen, geen uitweg ziende. Alie heeft niet, in de gaten hoe ontsteld Lenie is en ratelt maar door, hoe komt iemand tot deze afgrijselijke daad, te vondeling leggen, of nog erger. "Wat verschrikkelijk Lenie, hoe kan iemand in vredesnaam zoiets doen"?

"Maar", ratelt ze direct verder, "wat zou de moeder gedacht en meegemaakt hebben? Het moet wel iets vreselijks geweest zijn, anders doe je zoiets toch niet". Ze bedenkt diverse redenen waardoor zoiets ontstaan kan zijn, dacht de moeder, "ik ben te jong", of "ik ben te oud", of "ik ben te ziek",
"ik ben te druk met studie of carrière",
"ik houd veel meer van sporten en ben vaak onderweg",
"mijn gezin is al te groot", of "ik wil geen nakomertje",
"ik, of mijn man, of "we" kunnen het psychisch niet meer aan",
"Ik wil geld verdienen, verre vakanties en genieten van het leven, voor een kind, is er nu geen plaats.

Of misschien was het wel een verslaafd meisje, die zwanger raakte, die hoe dan ook aan geld moest komen, om in haar verslaving te voorzien?

Of misschien was haar vriend een student, die dat stappen en versieren wel leuk vond, het meisje, leuk, lief en charmant vond, haar steeds weer vertelde hoeveel hij wel van haar hield. Maar, als ze verteld dat ze zwanger is, dan zegt hij "wat... dat kan niet, ik studeer nog, ik moet eerst studeren en aan mijn toekomst denken, jij staat met je kind mijn grote carrière in de weg, je had gezegd dat je niet zwanger kon raken, een kind, kom zeg, daar is geen plaats voor", dan is de liefde plots over. Dan wil hij niets meer van haar weten, en denkt hij "zoek het zelf maar uit". Jammer dat wel, "maar hij moet aan zijn toekomst denken". Dat ben ik tegenover mezelf en mijn ouders verplicht! Of, was het gewoon nonchalance van het meisje zelf, ik ben jong en geniet van het leven, ik zie wel wat er van komt? Dat kan natuurlijk ook, niet altijd heeft de man er schuld aan. Misschien is het meisje wel met veel verschillende jongens naar bed geweest, en weet ze niet, wie de vader is. Het valt drukke Alie helemaal niet op, dat Lenie plots zo wit en stil geworden is, zo druk pratend en denkend, hoe dit toch gekomen kan zijn, dat iemand tot deze daad is gekomen."Wat denk jij Lenie, hoe kan iemand zoiets ergs doen"? Weer wat van de schrik bekomen, zegt ze "ach er kunnen zovéél redenen zijn, maar verschrikkelijk is het en blijft het, maar kom, hoogste tijd, we gaan aan het werk", om zich een houding te geven en even haar gedachten op een rijtje te zetten.

Lenie zit even later, met ontzettende hoofdpijn achter haar bureau, zeker na het horen en lezen van dit krantenartikel, waar ze zich zo nauw bij betrokken voelt.
(Maar wat gelukkig, niemand nog weet). Ze denkt na over de afgelopen tijd, wat was er veel gebeurd, dingen die haar uit de hand gelopen zijn.

Lenie, kan er haar hoofd niet bij houden deze morgen, ze is helemaal in beslag genomen door dat ene, haar grote blijdschap aan de ene kant, maar tevens het grote probleem dat zich in haar plaats vind. Wat spookt er toch allemaal door haar hoofd, ze moet er met "hem" over praten natuurlijk en wel zo gauw mogelijk. Nu weet ze het zeker, ze mag er geen gras meer over laten groeien, zo gauw hij bij haar komt, zal ze er over beginnen. Maar wat, als hij het ook niet leuk en niet fijn vind? Opeens slaat de angst haar om het hart, wat zal hij zeggen? "Ik dacht dat je aan de pil zat", of, of, "jij had moeten zorgen dat dit niet had kunnen gebeuren, dat is jou probleem, los het maar op"? Nee toch, zo is "hij" toch niet, wij houden toch van elkaar, wij vertrouwen elkaar toch volledig? In alles één toch? En wat te doen als hij zegt "Nu kan het nog niet Lenie, ik wil en kan nu nog niet scheiden en met je trouwen, ik wil nu nog geen kind", wat dan? Door dit krantenbericht is ze opeens helemaal in de war. Ze voelt zich met de vondeling verbonden, raakte die moeder ook zo in de war, was er voor die moeder en kind geen oplossing? Ze raakt in paniek, wat nu, wat nu? Nee toch nog maar niets zeggen, maar even wachten, even van de schrik bekomen, misschien komt de menstruatie wel wat later, dat kan toch? Maar vanmorgen, direct nadat ze opgestaan was, moest ze alweer direct overgeven, was dat echt een teken dat ze zwanger was? Waarom toch opeens die angst, waarom durf ik het niet tegen hem te zeggen, uit angst hem te verliezen? Alles wil ze afstaan, maar "hem" niet, haar eerste en allergrootste liefde, waardoor ze hem alles had gegeven, haar hart, haar ziel, haar lichaam waar hij steeds zó naar verlangde. Zou ze een zwangerschap test halen? Maar diep in haar hart, wist ze het antwoord wel, was er geen test nodig. Hun liefdesdaad kreeg gevolgen. Kinderzegen dat was de Zege van God, ja zo dacht ze eerder altijd, maar nu? Nu kon ze dat niet zo zien, nog niet, want hij was nog steeds niet gescheiden, hoewel hij steeds zei, daarmee bezig te zijn. Ze vond het zo fijn, zijn aandacht, zijn complimentjes, zijn voorkeur voor haar, ze kreeg al vlinders in haar buik als hij haar op die speciale manier aankeek en bij haar kwam, zij kon aan niets en niemand anders meer denken. Zij die altijd zo verlegen was geweest, stond opeens in "zijn" belangstelling, zij het stille meisje, wie was zij, dat hij aan haar de voorkeur gaf? Zij het meisje, wat toch nog zo weinig van de wereld wist, maar zeker niemand teleur wilde stellen, altijd probeerde zij het om iedereen naar de zin te maken. Ze wilde zo graag aardig, lief en aantrekkelijk gevonden worden en wat was daar mis mee, niks toch? Hij, hij vond haar leuk, lief, aardig, charmant, een vrouw voor het leven. Een vrouw waar hij volgens zijn zeggen de toekomst mee in wilde. Maar waarom dan toch die angst, om het te vertellen? Twijfelt ze dan toch écht aan hem, aan zijn oprechtheid, opeens denkt ze ook, waarom mocht eigenlijk op kantoor niemand het weten, waarom steeds stiekeme ontmoetingen en bezoekjes. Waarom steeds "ver weg" uit, waar niemand hen kende? Naar gelegenheden, waar ze eigenlijk niet thuis hoorde, waar haar geweten zei, "als je moeder zag waar je was, en waar je mee bezig bent"? Dan herinnerde ze zich, wat haar moeder altijd zei, als ze vroeg, "mag ik daarheen", dan antwoordde mam steevast je mag overal naar toe Lenie, maar bedenk wel steeds, of je Jezus mee kunt nemen, ja denk eraan, Jezus gaat overal mee naar toe, HIJ kijkt mee over je schouder, als Jezus daar niet kan en wil zijn, dan hoor jij er ook niet"! Toen ze er met hem over sprak, dat ze dat stiekeme ontmoeten en uitgaan vooral naar sommige gelegenheden niet fijn vond, zei hij, "Lenie, het is voorlopig beter dat niemand iets van ons samen weet, dat is niet goed voor het werkklimaat en ook niet voor mijn scheiding". Maar als jij niet meer uit wilt oké, dan kom ik voortaan bij jou thuis, jij kookt goed, en ik zorg voor de drankjes enz. Maar was dat de echte reden, waarom die onzekerheid in haar hart, die twijfel? Even overweegt ze, "zal ik Alie in vertrouwen nemen", maar nee, Alie is een echte schat, een hele fijne collega, maar het is zo'n flapuit, die heeft het al rond verteld, voor ze het zélf in de gaten heeft.

Nee niemand, niemand mag het ooit weten, als hij negatief reageert.

Wat ze in stilte hoopte is echter niet gebeurd, ze is niet gaan menstrueren, ze weet welzeker, dat ze zwanger is, de misselijkheid blijft. Wat nu, wat nu, nu ik écht zwanger ben, denkt ze, "ik laat mijn kind toch wél geboren worden"?

Ze neemt de geboorte in overweging? Houd ik het kind, natuurlijk houd ik de baby, ik wil dit kind hebben. Is er wel toekomst voor dit kind? Ja, ze wil kost wat kost het bewijs, van haar liefde houden als herinnering aan hem, haar grote liefde, iets van hem, haar alles! Niets kan ze hem weigeren als hij haar aankijkt met zijn prachtige verleidelijk sprekende ogen. Een "verboden getrouwde" man, maar haar hart, o haar hart houdt zoveel van hem. Niets, niets heeft ze hem kunnen en willen weigeren, alles, alles heeft ze voor hem over. Hoewel heel vaak dat stemmetje zei "Lenie dit kan niet, dit mag niet, dit is zonde, je mag geen relatie met een getrouwde man, je nu bent een overspelige vrouw", dat had ze gelezen in de bijbel, "zij die het houdt met een getrouwde man, is een overspelige vrouw, ja er staat zelfs, dat weet ze ook, al "denk" je erover overspel te doen, dan heb je het voor God al gedaan Matthéüs 65: 28-32! Dan ben je al schuldig en met zonde belast". Maar ze legde het stemmetje het zwijgen op, ze wilde niet luisteren naar haar geweten, ze hield te veel, veel teveel van hem, haar grote liefde. Ze dacht er komt natuurlijk een oplossing, hij houdt toch van mij? Wij vinden samen wel een oplossing, maar ze durfde het niet te zeggen, bang voor zijn antwoord. Want vooral nádat ze intiem waren geweest en hij drank op had, dan moest ze erg oppassen wat ze zei, dan was hij zo gauw beledigd en in zijn wiek geschoten, ja dat was de minder mooie kant van hem, maar daar stond zoveel positiefs tegenover. Nee ze moest het moment afwachten, wanneer zijn stemming goed was, dat de tijd er rijp voor was, ze moest een goede tactiek toepassen, maar dat had haar wel toevertrouwd. Ze was levenswijzer geworden de laatste jaren, zij regelde zélf haar leven en dat kon ze, als geen ander, zonder hulp, van wie dan ook! Nog even wachten, nog één weekje, dan ja dan zou ze het zeggen, maar na een week en nog een week, was er nog steeds geen oplossing gevonden, de tijd verstreek. Wel dacht ze steeds als ze samen waren, nu, "nu zeg ik het", maar ze was zo bang dat hij boos weg zou lopen en haar niet meer zou bezoeken, ze was zo blij als hij haar bezocht, haar met attenties overladen en tijd voor haar vrij maakte. Ze kon en wilde hem niet teleurstellen, ze kon en wilde hem niet missen, maar hij? Soms, ja vooral de laatste tijd, dan had ze het gevoel, of hij een smoesje, een uitvlucht bedacht om niet te komen, net of hij liever niet gekomen was, dan moest zij hem, aan hun afspraak herinneren. Dan had hij al een andere afspraak gemaakt, dan was hij haar vergeten, "of het werk gaat voor hé, ook voor jou". Ze kreeg soms een ontevreden gevoel, alsof ze niet meer "alles" voor hem betekende, een angstig voorgevoel benauwde haar, vooral de laatste tijd, des te meer. Dan probeerde ze het hem, nog meer, steeds meer, naar zijn zin te maken. Hij begon soms vervelende opmerkingen te maken, van "wat zie jij er belabberd uit", of "vroeger vond je dit of dat niet erg", of "er kan niks meer tegenwoordig"! Toen ze echter op een keer op kantoor wéér misselijk was nadat ze wat gegeten had, zei hij kort en wat snibbig, "Zo alweer wat verkeerds gegeten, kook je zo slecht tegenwoordig". Toen dacht ze geïrriteerd, nu of nooit, toen zei ze, zo langs haar neus weg, zachtjes in zijn oor, "misschien ben ik wel zwanger hé", toen keek hij haar aan of hij water zag branden. En zei hij zachtjes terug "Dat wéns ik niet, hoor je, ik kan hier op kantoor geen zwangere vrouwen gebruiken, dat is niet representatief, daar is hier géén plaats voor". Maar vooral, de "toon" die daarin doorklonk, die sprak boekdelen. Toen wist ze zijn antwoord. Hij benaderde haar opeens ook niet meer en vanaf dat moment kwam hij niet meer op bezoek, geen cadeaus of attenties meer. Opeens moest hij veel op zaken reis, hij had het veel te druk, volgens zijn zeggen, als ze vroeg "waarom ben je wéér niet gekomen", geen tijd, altijd zorgde hij er tegenwoordig voor, dat ze niet meer alléén op kantoor waren, wel zag ze hem flirten met een ander meisje. Deed hij dat met opzet, om haar jaloers te maken. Wilde hij haar op de proef stellen, of ze jaloers zou worden? Of, of was hij opeens op haar uitgekeken? Juist nu, nu ze zwanger was? Kreeg ze nu een koekje van eigen deeg? Tenslotte had zij hem ook, van een ander gepikt, daar kwam het op neer. Ze dacht opeens aan het gezegde "wat gij niet wilt dat u geschied, zo doe dat ook een ander niet".

Zij wist immers, dat hij getrouwd was. Wat had ze voor recht op hem, geen énkel recht toch? Ze leek wel een dievegge, die aangifte wilde doen, van gestolen goederen, die men haar had ontnomen. Recht, nee ze had geen enkel recht op hem, wat was ze toch dom geweest! Maar wéér dacht ze, ik moet het hem nu toch écht vertellen dat ik zwanger ben, als we alleen op mijn kamer zijn, maar wat, als hij "nooit meer" bij me thuis komt, flitst het opeens door haar hoofd. Dan moet ik het dus wel op kantoor vertellen, ik moet hem op zijn verantwoording wijzen, het kán nu echt niet langer wachten! Ze was naar hem toegegaan en had gevraagd, "of hij even tijd voor haar had", verbaasd en geïrriteerd, had hij haar aangekeken en gezegd "heeft het haast, ik ben druk". Ja had ze gezegd, "het heeft haast ik wil nu, een gesprek, want we hebben een probleem, een privé probleem", toen zei hij "voor privé moeilijkheden heb ik geen tijd, jouw problemen zijn jou zaken, daar kan ik me niet mee inlaten, als ik financieel iets voor je kan doen oké, maar daar is de kous mee af". HIJ draaide zich om en was weggelopen, dat was "einde gesprek".

Haar tranen bedwingend, was ze het kantoor uit gevlucht, naar het toilet om even bij te komen, onder het mom van wéér een migraine aanval, was ze naar huis gegaan waar ze hartverscheurend had gehuild, voor haar gevoel uren aan één stuk.

De volgende dag had ze zich echt ziek gemeld, dat was ze ook, ziek van verdriet en teleurstelling in de man van wie zij zoveel hield. Haar hart was gebroken, dát was dus haar grote liefde. Toen heeft ze al die tijd, haar zwangerschap verstopt, ingebonden, verzwegen? Wat een groot geheim, wat een zware last, om zoiets alléén te dragen. Ze dacht nog even, dan laat ik maar abortus toepassen! Ik "haat" hem, nu hij mij zo verschrikkelijk in de steek laat, ja nu hij mij laat vallen als een baksteen. Alsof hij er totaal niet bij betrokken is en er geen schuld aan heeft. "Ze haat hem", denkt ze, maar ook zijn kind. Ik krijg je wel, ik zal je kind laten vermoorden, dan heb je een misschien wél een schuldgevoel! Haat ik het kind zo? Haat ik mijn eigen kind, omdat ik, fout ben geweest en zo teleurgesteld ben? Wat kan mijn kind hieraan doen?

Zoveel mooie belofte, maar wat blijft er van over? Ze blijft maar tobben en denken, "mijn kind, mijn kind, wat kun jij eraan doen". Om hem te straffen, zou ze het willen doen, maar, ze kon het niet over haar hart krijgen, om haar kind te vermoorden? Nee dacht ze, dat is een "nog grotere zonden", dat nooit. Zo was dus de man, die haar niet meer zag zitten, toen ze zwanger was.

Problemen zag hij niet zitten, het idee alleen al, thuis te moeten vertellen dat hij vreemd was gegaan? Zijn vrouw alles opbiechtte, van zijn vrouw scheiden, (was hij wel echt bezig met scheiden, of zei hij dat maar?) Scheiden, met alle gevolgen van die, aan zijn grote kinderen vertellen "papa had een vriendin op kantoor, die ik het hoofd op hol had gebracht, ik had een vrijpartij tussen mijn werk door, of 's avonds na een vergadering, dat vond ik opwindend en spannend". Durft, of wil hij dat niet, tegen vrouw en kinderen te vertellen?

Lenie denkt weer aan alle keren dat ze tegen hem zei, "dat deze relatie met hem, eigenlijk niet kon", omdat haar geweten sprak, "hij is getrouwd, blijf bij hem vandaan, hij is de man van een ander, dit is zonde". Maar dan sprak hij haar tegen en zei altijd, "Lenie, ik heb een heel slecht huwelijk, mijn huwelijk dat stelt écht, niks meer voor, nee met ons dit is "ware liefde". Met jou kan ik praten, aan jou heb ik steun, met jou zie ik het helemaal zitten, jij bent een mooie representatieve vrouw Lenie, met jou uitstraling en zakelijk inzicht, met jou kan ik overal verschijnen. Jij bent goed voor mijn zakelijke imago en relaties, echt Lenie voor jou, voor jou ga ik scheiden. Als de scheiding achter de rug is, dan komt alles goed voor ons tweetjes", dan.... dan.... hij beloofde haar, koeien met gouden horens. En zij, ze was zo verliefd, zoveel hield ze van hem, zij was erin getrapt!

Steeds vaker komen woorden van haar moeder in gedachten, maar ook het idee, weer naar huis gaan, met de schande, zeker bij haar christelijke familie en in het christelijke dorp, de schande die ze mee brengt, als ze naar huis zou gaan.

Tegen haar ouders had ze niet over haar liefde kunnen zwijgen, toen het nog "tut aan" was en ze nog "niet" zwanger was. Vaak hadden haar ouders gezegd, "ja wij merken het wel, "waar het hart vól van is, stroomt de mond van over", neem hem eens mee". Dan zei ze gauw "mam later, hij is zo druk, hij moet carrière maken, nu hij nog jong is, hij moet vaak op zakenreis. Maar later, later kom ik hem aan jullie voorstellen". Dat hij getrouwd was, had ze natuurlijk helemaal niet gezegd. Het was maar goed dat ze op kamers woonde op redelijk verre afstand, daar woonde ze al door haar vroegere studie en ze was daar blijven wonen. Wel had haar moeder gevraagd, "is het ook een gelovige jongen Lenie"? Toen had ze ontwijkend geantwoord, "dat weet ik niet hoor". "Gaat hij dan niet met je mee, naar de kerk, jij gaat toch nog wel naar de kerk he? Lenie blijf wel bij de Heere meisje". Toen was ze boos geworden en had gezegd, "mam daar ben jij niet langer verantwoordelijk voor, dat beslis ik zelf wel, het is mijn leven hoor, ik ben volwassen hoor! En dan daarbij ma, ik zal het maar gelijk maar zeggen, ik heb daar zelf ook géén behoefte meer aan". Toen had haar moeder niet meer, naar hem en haar kerkelijk leven gevraagd, maar was met tranen in haar ogen weggelopen. Maar toen ze later, weer naar huis ging, naar haar eigen kamers, had mam haar wel gedag gekust en toch nog terloops even gezegd "ik blijf wél altijd voor je bidden Lenie, dat kun je me niet afnemen, je bent een gedoopt kind Lenie, wij mensen schieten te kort, maar Gods Verbond en belofte om voor jou te zorgen blijft en gaat met je mee". En juist die woorden van haar moeder, daar moest ze nu veel aan denken. Hoe stond het ook weer in het Doopsformulier, o ja IK zal een "EEUWIG VERBOND" der genade, met je sluiten. Maar ze denkt direct daarna, "met mij, een zondares, ik ben een overspelige vrouw God, die heeft geleefd met de man van een ander en die een kind van hem verwacht? Dan hoort ze weer die stem van haar moeder in haar gedachten, "pas goed op jezelf kind, nu je op jezelf gaat wonen, want één moment van onbedachtzaamheden kan maken, dat men jaren schreit". Ze denkt één moment, o nee, met haar is het nog veel erger, ze is bewust, in de val van haar eigen zonde gevallen. Zij wilde zélf de man van een ander, het was egoïsme, zondeval. God had haar gewaarschuwd, door in haar geweten steeds maar te fluisteren, "dit is niet goed, dit is zonde, daar krijg je berouw van". Haar moeder had gelijk gehad, toen ze had gesproken "je bent gedoopt Lenie, God heeft een verbond met je gesloten, toen je gedoopt werd, God gaat met je mee, HIJ laat jou niet los, God kan niet liegen". God was met haar meegegaan, haar leven door, maar ze wilde niet luisteren, ze had aan God geen behoefte meer gehad, alleen aan "hem", haar grote liefde, ze wilde zelf baas zijn in haar leven, in haar leven zonder God. Ik ben mans genoeg, om voor me zelf op te komen en voor mezelf te zorgen, dat had ze gedacht. En nu, wat nu, nu zat ze hier met de gebakken peren.

Als ze 's avonds thuis is en zit te lezen, valt haar oog op een gedicht, waarbij ze zich erg betrokken voelt door de woorden van haar moeder.

"Geen behoefte", Mattheus 25: 1-13

Geen behoefte om te weten,
Hoe het eens met mij zal gaan,
Geen behoefte om te weten,
Kan ik zonder Hem bestaan,
Geen behoefte in dit leven,
Ik, bepaal wel, hoe ik leef,
Later, och, dat zie ik dan wel,
'k Wil genieten, nu ik leef!!

Zo denkt een zot, zonder gebod,
En kijkt bewust niet verder,
Beseft te laat, dat hij nu slaapt,
"zoals de dwaze maagden",
Zijn energie, voor niets gebruikt,
Als straks Gods Zoon zal komen,
Zo plots, als niemand Hem verwacht,
Kan hij dan verder dromen?

Nee, daarvan kan geen spraken zijn,
Waar hij dan komt is leed en pijn,
Dan zal hij wakker schrikken,
Ik heb me laten strikken,
De satan, had mij in de greep,
O, dat ik dát, toen niet begreep,
Ik zocht géén Christus aan het Kruis,
'k Ben dus niet welkom in Zijn huis,
"IK ken u niet, zal klinken"!

Ja haar moeder had haar zovaak gewaarschuwd, "blijf dicht bij de Heer", maar ze beseft nu ook, dat ze zelf heeft geleefd, als een dwaze maagd

En nu, nu is ze bang voor de ontdekking van de zwangerschap, bang voor "het uur van de geboorte", die de moeder zelf niet bepalen kan, hoe groot die zorgen en angst ontdekt te worden. Steeds zwaarder worden de dagen op kantoor ze komt 's avonds moe thuis, vooral geestelijk moe, van al het denken en piekeren, maar ook van "hem zien" en hoe hij haar steeds ontloopt, zodat ze nooit meer alleen op kantoor samen zijn. Hoe zwaar die beslissing, hoe nu verder? Met wie en hoe, hoe Heer, hoe moet het nu verder? Gek eigenlijk dat ze nu opeens, weer de Heer er bij betrekt, hoe "durft" ze eigenlijk. De Heer, waar ze zich niets meer van aantrok, waar ze geen behoefte aan had, volgens haar eigen zeggen. Ik wist het toch zo goed, ik regelde mijn leven toch zelf? Ik had toch mijn eigen wetten en regels. Maar nu, nu moet ze verder, ja verder, maar hoe en met wie, het blijft steeds maar door draaien in haar hoofd? Met God? Terug naar God? Dat kan niet, o nee dat kan ze niet en dat wil ze ook niet, maar toch, toch wel of niet, wel of niet? Ze blijft maar ronddraaien in die gedachten. Terug naar huis, op hangende pootjes, daar gaan vertellen, wat er met haar aan de hand is. Maar dat kan ik alléén als God me helpt, denkt ze, alleen mét God, ik moet terug, ik moet terug naar God, Hem om vergeving vragen, Hem mijn Schuld belijden, HEM alles vertellen, alles voor Hem neerleggen. Eerlijk opbiechten dat het een getrouwde man was, waar ze zo verliefd op was geweest? O ja ze weet het wel, God wéét alles, maar HIJ wil het uit onze eigen mond horen. HIJ wil altijd vergeving schenken, maar we moeten Hem er wel om vragen. Als een kind dat graag een koekje wil, het mag wel, maar wél eerst even vragen. Zo is het immers ook in de sociale hulpverlening, alleen zij die "zelf graag hulp willen en dat zelf aanvrage" krijgen hulp, anders is het verloren moeite. Zelf moet je er eerst moeite voor doen, het zelf aangegeven, ja ik wil héél graag hulp van derde. Maar daarvoor is het te laat, te laat, denkt ze alsmaar. Maar dan denkt ze aan een gedicht wat ze ooit las. Een gedicht waarvan vooral de titel is blijven hangen, in tegenstelling van haar gedachten, zelf denkt ze steeds te laat, te laat. Maar dat gedicht zei, "Nooit te laat".

Is dat waar, is het nooit te laat, om naar God terug te gaan, maar er stond ook bij "zolang we leven", nu leeft ze nog, maar als er iets mis gaat met de bevalling? Ze is toch niet beter dan anderen, die sterven bij een bevalling, nee ze is veel slechter dan de meeste. Nu is ze nog in het land der levende, nog is het niet te laat, ze pakt haar bundeltje weer en zoekt het gedicht op. Ze denkt weer aan haar doop, en "ZIJN doopsbelofte", mag zij daar nog aanspraak op maken? Op ZIJN Verbondstrouw?

Dan leest ze het gedicht weer.

"Nooit te laat",

Nooit te laat om God te zoeken,
Nooit te laat naar God te gaan,
Nooit te laat "zolang we leven",
HIJ, laat nooit een bidder staan.

Die met spijt oprecht berouw,
Tot Hem komt uit alle landen,
En niets mee brengt van zichzelf,
Dan lege, maar gevouwen handen.

Is het dan toch nóg niet te laat, ondanks alles waarmee zij God zoveel verdriet heeft gedaan, ze kán het niet geloven. O, kon zij maar zo denken en vertrouwen, zo bidden als het ware, nee dat kon ze niet, nog niet. Haar lichaam en haar geest verlangden nog zo naar hem, ze moet weer naar kantoor. Toen na een tijdje het braken minder was geworden, was ze weer naar kantoor gegaan. Ze verlangde zo naar hem, zo moest hem zien en ze hoopte hem dan weer te spreken, misschien kwam dan toch nog alles goed. Ze had hem tenslotte ook erg overrompeld. Ze nam hem nog in bescherming, waarom hij zo bot had gereageerd, steeds weer bedacht ze iets anders om hem vrij te pleiten. Ze gaf zichzelf nu ook de schuld, want zij had "hem aangehaald", hem gezocht met haar ogen, die ze maar niet van hem af kon houden, ze hadden oogcontact en later was daar hun verhouding uitgegroeid. Zij was zéker zo schuldig. Goed hij had zijn verplichtingen tegen over zijn vrouw en kinderen. Maar daar nam zij, het niet zo nauw mee, dat was zijn verantwoording. Als zij maar van hem kon genieten en van hem houden. Wat was ze egoïstisch en dom geweest, maar daar moest ze nu voor bloeden, dat was haar eigen schuld. Tenslotte is ieder mens persoonlijk verantwoordelijk, dat staat in Ezechiël 18 wat fijn, denkt ze terloops, dat ze zoveel bijbelkennis heeft nu ze zo in de problemen zit, steeds weer, komen er teksten en bijbelgedeelten in haar brein naar boven, is God zelf met haar bezig? Maar veel weten van de bijbel, betekend ook veel verantwoording hebben, over je Gods kennis. Terug naar huis gaan, ja dat kan, dat weet ze zéker, maar terug naar God? Raar toch, dat ze daar nu steeds aan moet denken, terug naar God om daar steun, kracht en raad, bij God te zoeken? Ze begint steeds vaker tegen God te praten in haar gedachte, o "God hoe moet het toch verder met ons, met mij en mijn kind"? Dan komt weer een nieuw bijbelgedeelte in haar hoofd op, Psalm 37: 3-6 "Vertrouw op de Heere; verlustig u in de Heere; wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem; HIJ zal het maken". O wat een strijd voert ze, lichamelijk en geestelijk, nog wil ze zich niet volledig aan God overgeven, haar "eigen ik", haar lichaam, haar hart, haar gebroken, maar nog zo verlangende hart, speelt nog zoveel parten.

Ze had haar lichaam ingesnoerd met strakke onderkleding, met daarover wijdere boven kleding, zo ging ze naar kantoor, uiterlijk veranderde er niets, maar innerlijk veranderde er veel. Als ze 's avonds doodmoe op de bank ligt, krijgt ze "leven", haar kind vertelde haar dat het groeide, mama ik kom eraan hoor! Dat was zo bijzonder geweest, de allereerste keer, dat ze haar kind voelde bewegen, heel even, had ze het gevoeld, het éérste levensteken van haar kind zelf. Wat een strijd en een problemen. En steeds vaker voelt ze haar kind, steeds sterker worden de bewegingen. Alsof het zeggen wil, "stil maar mama, ik zal je helpen, samen komen wij er wel door, als jij me maar laat leven". Ze gaat languit op de bank liggen en sluit haar ogen, rust, rust, heeft ze nodig, haar kindje gaat ook verliggen en zoekt een betere houding op, ze legt haar hand op haar buik en aait symbolisch haar kind over het bolletje, ze zegt in zich zelf, "ik beloof je, mijn kind, ik vermoord jou niet, ik werp je niet weg, ik zal altijd van je houden, hoe moeilijk het ook zal zijn" Een ding weet ze wel, ze houdt van dit kind, haar kind, ze voelt het weer in zich bewegen, ze legt weer haar hand op de plaats waar ze haar kind voelde, ze aait en streelt het. Hoe het verder moet dat weet ze niet, maar ze hoopt op uitredding en een oplossing, maar hulp vragen? Nee haar vertrouwen is zo beschadigd in "de mens". Waar en hoe, ja waar naar toe, naar haar ouders? O zeker ze weet dat ze haar ouders er een groot verdriet mee zal doen, om met die boodschap thuis te komen, maar ook weet ze zeker, dat ze met open armen ontvangen zal worden. Maar ze zal een naam moeten noemen, van hem, haar grote liefde, waar ze nog steeds, ondanks alles, diep in haar binnenste veel van houdt en niets van begrijpt, waarom? Nee ze kan en wil hem niet verraden, de naam van hem besmeuren, nee dat kan ze niet.

O God denkt ze weer, als U, mij écht wilt helpen, als dát eens waar was, dat U mij alles zou willen en kunnen vergeven. Ook omdat ik op mijn "Doop" mag pleiten. Ze hoort als het ware, weer de stem van haar moeder, "Lenie gaat je vriend mee naar de kerk? Lenie jij, gaat toch nog wel, naar de kerk"? Ze had gezien dat haar moeder tranen in haar ogen had gekregen, toen zij, boos had geantwoord, "dat bepaal ik zelf mam, daar ben jij niet langer verantwoordelijk voor, ik heb daar géén behoefte meer aan" Weer pakt ze het gedichten bundeltje en bladert ze nog even verder en valt haar oog op het volgende gedicht.

Gebaseerd op Joh. De Heer lied 150 en de teksten;

1 Joh. 3

" Welk een Vriend",

O mijn kind, ik ben zo bang,
O, mijn kind wat wacht je lang,
"Hem" te zoeken in je leven,
Is jou "eeuwigheid" om 't even?

Hoe vaak heb ik het gezegd?
Hoe vaak heb ik 't uitgelegd,
Toen je klein en jong nog was,
Jezus wederkomst is ras!

O mijn kind moet ik eens sterven,
Met de angst God zal verderven,
O, mijn kinderen, o mijn kind,
Zoek nu 't kan, toch Hem uw Vrind.

"Welk een Vriend", is onze Jezus,
die in onze plaats wil staan,
lieve, lieve, lieve kinderen,
Roep, o roep toch Jezus aan!

Over Hem, mag ik niet praten,
Telkens wordt mijn mond gesnoerd,
"we weten het ma, dus stil nu maar",
O, mijn kind, zie het gevaar!

Zonder Vader is géén leven,
Zonder Christus aan het Kruis,
Zonder Geest, die alsmaar fluistert,
"Ga nou kind'ren, ga naar HUIS.

Dat is ook op haar lijf geschreven, sprak ook zij niet zo, tegen haar moeder, o wat moet haar moeder zich ongerust hebben gevoeld, voelend, wetend, dat het niet goed ging, met haar kind. Maar hoeveel te meer, zal God verdriet hebben gehad, toen HIJ alles zag en hoorde. Ze heeft zoveel spijt over alles wat er gebeurd is. O nu begint ze zelf te huilen, als ze denkt, "moeder, moeder, wat heb ik God en jullie toch veel verdriet gedaan, met de manier waarop ik heb geleefd".

Maar o moedertje, "ik hield zoveel van hem", och het is geen excuus, o ze weet het wel, ze had nooit verliefd op hem mogen worden, ze had hem de kans nooit mogen geven. Ook hij was verkeerd en zondig bezig geweest, dat weet ze wel.

Maar zijzelf, zelf was ze véél meer fout, zij was een Christen, een Gedoopt en Belijdend Lidmaat, zij had als Christin haar verantwoordelijkheid moeten kennen tegenover God, in de éérste plaats. Weer voelt ze het kindje in zich bewegen, haar kind, hoe verantwoordelijk is zij voor het kind, in haar. Ze weet nu ook opeens, hoe haar moeder, zich verantwoordelijk voor haar heeft gevoeld, tenslotte ben ik haar kind.

Dan komen ook de woorden uit Spreuken 3: vers 5-7 met name, waarin staat "Vertouw op de Heer, met uw ganse hart en niet op uw verstand; Ken Hem, in al uw wegen, en HIJ zal uw paden recht maken; Zijt niet wijs in uw ogen, vrees de Heer en wijk van het kwade". Ze weet het, ze kende God niet, in haar wegen, ze hield geen rekening met Hem, alleen met haar "eigen ik".

Weer moet ze aan een gedicht denken, waar jeugdzonden worden beleden, en God om vergeving wordt gesmeekt, van iemand die er ook op vertrouwt, dat haar zonde vergeven worden, ze zoekt het op en leest het.

"Jeugdzonde"'

Ik smeek U Heer vergeef,
De zonden van mijn jongelingschap,
Ík leefde voor plezier en grap,
Vergeef opdat ik leef.

Want één moment van onbedachtzaamheid,
Kan maken, dat men jaren schreit,
Maar lieve God, dat is 't verleden,
'k Beloof U, 't is verleden tijd.

Ik zal o Heer, nu al mijn tijden,
Zetten naar Uw Woord alleen,
U in Woord en daad belijden,
Uitsluitend U Heer, anders geen.

Als ze het gelezen heeft, barst ze in snikken uit, "O God help me, ik weet het niet meer". Het komt als een kreet omhoog, "ik weet niet" hoe het verder moet, nu roep ik tot U " hélp me alstublieft.". Maar direct daarna denkt ze, "God zou wel gek zijn, om me nu wel te helpen, zo vaak heeft HIJ in mijn binnenste gesproken, niet doen, Lenie dit is zonde, dit is een getrouwde man, daar moet je geen omgang mee hebben", maar ik wilde niet luisteren, ik dacht alleen, "ik hou van hem, ik wil het wél", wat God in me fluistert, daar luister ik niet naar, ik ben baas in mijn eigen leven. Ik wil met God niks te maken hebben, ik zie wel, er komt best een oplossing, daar zorg ik wel voor. Moe is ze, lichamelijk en geestelijk, ze pakt weer de gedichten bundel en wil wat afleiding, even wat ontspannend lezen. Ze slaat een bladzijde op, maar ook daar staat een gedicht wat haar enorm aanspreekt, het lijkt wel of die gedichten speciaal voor haar zijn gemaakt, ze sluiten feilloos aan op haar levenssituatie.

"UW Schepping, ons kind",

Wat is Uw schepping groot o Heer,
o ik verwonder me telkens weer,
een mens gemaakt alleen uit stof,
Wat is mijn trots, 't is tot Uw lof.

Een kind geboren, klein en teer,
ik verwonder me telkens weer,
een hartje voor circulatie van het bloed,
O Heer wat is Uw schepping goed.

Een kindje geboren, zo lief en zo teer,
wat een wonder telkens weer,
'n hoofdje, hersentjes, alles kan werken,
Heer wek ons op, Uw grootheid te merken.

Een kindje geboren, zo fijn en zo teer,
't dwingt tot respect toch telkens weer,
armpjes, handjes, vingertjes klein,
o Heer, wat erg, als ze er niet zouden zijn.

Een kindje geboren, volmaakt o zo teer,
een wonder, een wonder telkens weer,
voetjes, teentjes, beentjes, om te lopen,
Heb dank, dat men 't ontwerp niet kan kopen.

Een kindje geboren zo klein en zo teer,
ja ik verwonder me telkens weer,
't gezicht, 't gehoor, 't gevoel,
't is al Uw eer, wat 'n wonder telkens weer.

********************************************************************************

"Abortus,"

Maar Heer, wat heb ik nu gehoord?
Worden ongeboren baby's zomaar vermoord?
Hebben wij mensen, Uw Schepping gekraakt?
Zijn wij al zo diep in zonden geraakt?
Laat hart en verstand toch spreken Heer,
en vergeeft Gij ons, ook deze zonden,
Telkens, ja telkens weer

Genesis 1:26 t/m Genesis 2: vers 7

Ze pakt weer haar bijbeltje en leest het aangegeven gedeelte, Genesis 1 vers 31a spreekt haar erg aan waarin staat; "En God zag ál wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zéér goed".

Diep ontroerd, mede door de situatie, waarin ze verkeert, begint ze te huilen, met grote diepe snikken en uithalen, hoe moet het toch verder denkt ze.

Heel zeker weet ze wel, mede door dit gedicht, wat helemaal op haar was afgestemd, abortus, dat nooit! Maar daar is het ook al te laat voor, haar kind is al te groot, neen abortus kan niemand meer van haar eisen, zelfs "hij" niet, van haar kind, moet "ook hij" afblijven!!!

Ongemerkt heeft ze gekozen, gekozen tégen hem, maar voor haar kind. Voor het eerst sinds lange tijd, gaat iemand anders de éérste plaats innemen in haar hart, niet langer staat hij op de éérste plaats, maar haar kind. Nooit zal ze haar kind vermoorden en Gods Scheppingswerk stuk maken? O wie zijn wij, wie zijn wij die zulke dingen doen???
"Zijn" eigen schepsels, wij vernietigen ZIJN Schepping!?
Wij, die zelf uit stof geschapen werden, weten wij, het beter dan de Schepper??

Hoe groot is onze God, dat HIJ toch, ondanks alle zonden, die we tegen Hem bedreven en elke dag weer opnieuw bedrijven, "een Eeuwig Verbond der Genade met ons wilde oprichten", en bij de Heilige Doop aan ons, Zijn belofte wilde geven. Ze pakt haar bijbeltje en zoekt het genoemde gedeelte op, eerst leest ze, Genesis 17: 7 en leest dan het Doopsformulier. "HIJ wil onze God zijn, van mij en mijn nageslacht" Wat een trouw, wat een Genade van Gods kant. Hoe staat het ook al weer in de bijbel, o ja in Spreuken 8: 17-21 "IK heb lief die MIJ lief hebben; en die MIJ vroeg zoeken, zullen MIJ vinden. Rijkdom en eer is bij MIJ, duurachtig goed en gerechtigheid. MIJN vrucht is beter dan uitgegraven goud en dan dicht goud; en MIJN inkomen dan uitgelezen zilver. IK doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; opdat IK MIJN liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en IK zal hun schatkamers vervullen". Ja met ons, wil HIJ op weg gaan, met "ons". De weg, mijn weg, o Heer, hoe zal die verder gaan? Opeens weet ze "De Weg", Johannes 14 : 1-6, waar Jezus zegt, "Ik ben de Weg", dan ze vouwt haar handen en gaat op haar knieën, voor Hem, die de Weg is, de Eeuwige weg tot behoud. Ze spreekt alles uit, al haar fouten en gebreken, ze smeekt God om vergeving ze smeekt Hem, om haar de weg die ze gaan moet, aan te wijzen, ze vraagt om een nieuw leven, maar dan samen met Hem, door heel haar leven, wat er dan ook komen zal, maar dan wel samen met haar kind.

Maar in de éérste plaats met U Heer, met U durf ik het leven weer aan, wat er ook komt. In mensen ben ik teleurgesteld, wat is het waar, wat in Psalm 146:3 staat "Vest op prinsen geen betrouwen, waar je nimmer heil bij vindt. Maar ook Micha 7:5 waarschuwt ons, vertrouw niemand, leg je hart niet bloot, wie vandaag je grootste vriend is, is morgen je vijand, pas op. Vertrouw alleen op God.

Al bladerend en lezend in haar bijbeltje, komt ze ook Psalm 32:8-11 tegen, ze streept het aan, waar staat; "IK zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die gij gaan zult'"; "IK zal raad geven, MIJN oog zal op u zijn". Vers 9; "Wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welke muil breidelt met toom en gebit, opdat het u niet raken". Vers 10; "De goddeloze heeft veel smarten, maar die op de Heer vertrouwt, die zal de goedertierenheid omringen". Vers 11; "Verblijdt u in de Heer en verheugt u, gij rechtvaardige en zingt vrolijk, alle oprechten van hart"!

Dat is wat, ze mag opnieuw voor God gaan leven! Rechtvaardig van hart, opnieuw met een open en eerlijk hart, een start met HEM, grote blijdschap doorstroomt haar, vervult haar.

Verblijdt u, staat er, verblijdt u en zingt, zingt!

Dan komt opeens gezang 5 van Joh. de Heer in gedachten,

"Al de weg leidt mij mijn Heiland"

Al de weg leidt mij mijn Heiland,
Wat verlangt mijn ziel dan meer?
Zou ik immer aan "Hem" twijfelen,
Die mij voorleidt, keer op keer?
Zoete troost en zaal'ge vrede,
Heb ik steeds op Zijn bevel;
'k Weet, wat mij hier overkomen,
HIJ maakt alle dingen wel.

Al de weg leidt mij mijn Heiland,
En troost geeft Hij tot in de dood,
Als ik zwak ben in beproeving,
Sterkt Hij mij met 't Hemelsbrood,
Als mijn schreden soms gaan wank'len,
En mijn ziel, van dorst versmacht,
Geeft Hij mij, het levend water,
En vernieuwt mijn levenskracht.

Al de weg leidt mij mijn Heiland,
Door al 't aardse stormgebruis,
En volkomen vreugde wacht mij,
In het Zalig Vaderhuis,
Als 'k mijn kroon, die Hij zal geven,
aan Zijn voeten nederleg,
Zal mijn lied voor altijd wezen;
"Jezus leidde m' al de weg".

Ja ze zal opstaan, net als de "verloren zoon", van Lucas 15 : 11 t/m 32 naar huis gaan, waar haar ouders op haar zullen wachten, haar met open armen ontvangen zullen. Dan weet ze ook zeker, als aardse ouders dat doen,

dan zal God onze Hemelse Vader dat zéker doen,dat beloofde Christus zelf, het staat in Mattheüs 7 vers 7 t/m 11. "Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal open gedaan worden". Maar niet op onze tijd, nee op Gods tijd zal alles geschieden, naar Zijn Goddelijke wijsheid. "Terug naar God", maar ook terug naar haar ouderlijk huis, daar is de weg. Morgen, morgen zal ze haar ontslag nemen. En na getroffen maatregels zal ze naar huis gaan, dat is haar beslissing. Dan krijgt ze rust, innerlijke rust voor haar hart en valt ze na een tijdje, in een diepe rustige slaap. Als ze later wakker wordt is het net, of ze in een andere wereld wakker wordt, o nee er is niets in haar kamer veranderd, maar er is zo'n grote rust in haar gekomen, ze verwondert zich erover, ze voelt zich als herboren. Maar gelijk ook, voelt ze zich gedragen, gedragen door God, ja ze kan weer verder. Ze loopt nu direct naar de telefoon en belt naar huis, in de zekerheid, nu komt álles goed, want God, mijn God gaat ondanks alles, opnieuw met me mee in voor en tegenspoed.

Haar moeder huilt, als ze "alles" heeft verteld, alles van haar lichamelijke, maar ook haar geestelijke strijd, haar strijd om "eigen ik" en "de strijd om terug te gaan naar God". Maar dan voor ze verder iets zeggen kan, zegt moeder direct "we komen er aan kind, om alles door te praten, je kunt op ons rekenen hoor en later, later komen we terug om jou op te halen met "alles" wat bij jou hoort, "welkom thuis kind, welkom, ook met je kindje".

Wat een ouders, waar heeft ze zulke ouders aan verdiend? O God ik dank U, ook voor mijn ouders, zo weinig liefde gaf ik, zovéél liefde ontvang ik van hen!

Ze realiseert ook, dat ze wél regelmatig voor die andere moeder en haar kindje wil en zal bidden, die moeder, waar kennelijk géén oplossing voor was. Ze heeft inmiddels wel uit de krant vernomen, dat de moeder nog niet gevonden is. Ze hebben het kindje de naam van de vinder gegeven, het is in een pleeggezin opgenomen. O, wat blijft dit een ontzettend zware geestelijke belasting voor de moeder. Maar ook wat een vreselijk groot vraagteken voor het kind later.

Maar God ziet ook hen, als ze Hem "willen" zoeken, zal HIJ ook voor hen zorgen en een oplossing geven, dat weet ze zeker! Ja wie God aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot. Dat heeft ze immers zelf ondervonden, Gods vergevende genade, voor zondaars. Zij de grootste zondaar, zij had immers ook commentaar gehad, op de moeder van de vondeling, misschien niet hardop gezegd, maar wel in gedachten, al had ze die gedachten niet uitgesproken, ze was immers zelf al zwanger geweest, dáárom had ze gezwegen. Nee ook zij had in haar hart, afschuw uitgesproken over de "te vondeling leggen". Maar ook zoveel andere mensen zijn mede schuldig, door ook te hopen op een miskraam of iets anders. Laat ons denken aan eigen zonden. Jezus sprak, "Wie zonder zonde is, werpen de éérste steen".Ze denkt aan Matthéüs 7 : 1 t/m 5 , vers 3 met name, "ziet gij de splinter in het oog van uw naaste, en merkt gij de balk in uw "eigen oog" niet?".

O Heer, o Heer, wat ben ik veel en vaak tekort geschoten, wat een zonde voor UW Heilig aangezicht. Maar toch, toch voelt ze rust, rust in haar hart, die is weer gekeerd, God heeft het haar vergeven, vergeven alles is weggedaan, weggespoeld, "door het bloed van Jezus Christus", vergoten aan het Kruis. Weer denkt ze, "wat is God groot, dat HIJ Zijn énige Zoon voor ons naar de aarde stuurde, voor ons zondaars". HIJ wist vooraf, hoe zwaar Christus lijden moest, voor zovéél zonden, de zonde van de héle mensheid. Om voor ons vergeving van zonde te krijgen met God de Schepper, om ons zo weer aan te kunnen nemen als Zijn kinderen. Voor onze zonden "moest betaald worden", door Hem die zónder zonde was. Daarom mogen we in Zijn Woord lezen, "Al ware uw zonden rood als scharlaken, IK zal ze maken als witte wol", "Al ware uw zonden rood als karmozijn, IK zal ze maken witter dan sneeuw" Ze bidt net als David in Psalm 51; "Heer vergeef ook mijn zonden, elke dag opnieuw, als ik wéér tekort schiet, maakt GIJ ook mijn zonden, witter dan sneeuw". Dat is wat, witter dan sneeuw, dat kan toch niet?

Dat denken wij, maar bij God is alles mogelijk, als we maar op Hem vertrouwen. Ze denkt nog, ik boet voor mijn kind, daar heeft God alle recht toe, maar U gaf UW KIND als boetedoening voor ons! Hoe is het mogelijk, zoveel liefde van Gods kant. Wat een troost, wat een Zege, ze mag weer tot de Vader, met alle zorgen, want HIJ zorgt.

Ze weet ook zeker dat ze haar kind zal laten dopen, ook zij zal haar kind opdragen voor Gods troon, opdat het ook, net als zijzelf gewaarborgd is bij GOD.

Op ZIJN ontferming en vergevende genade mag pleiten. Maar ze zal ook bidden voor het andere kind, of God ook daar in dat pleeggezin, alle omstandigheden wil doen meewerken ten goede, dat ook dat kind gedoopt mag worden, ook een "Verbondskind" mag zijn. Wat heeft ze zelf veel steun gehad aan de woorden van haar moeder, "je bent gedoopt Lenie, God is getrouw, als wij falen, HIJ faalt niet, HIJ gaat met je mee, je hele leven".

Ze pakt haar bijbeltje van de "Ned. Staten Vertaling" er weer bij en leest het hele "Doopsformulier", wat een belofte.
Het Doopformulier bestaat uit drie gedeelte, maar vooral het tweede deel spreekt haar erg aan, waar o.a staat;

Ten tweede, betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop, de afwassing der zonde door Jezus Christus. Daarom worden wij gedoopt, in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest". Want als wij gedoopt worden "in de naam van de Vader", zo betuigt en verzekert ons God de Vader, dat HIJ met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot "Zijn kinderen en erfgename aanneemt", en daarom van alle goed ons verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of... ten onze beste keren wil". En als wij "in de naam van de Zoon" gedoopt worden, zo verzegelt ons de Zoon, dat HIJ ons wast, "in Zijn bloed, van al" onze zonden, ons in de gemeenschap van Zijn dood en wederopstanding inlijft, alzo dat wij van onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden.

Zo dan ook als wij gedoopt worden "in de naam van de Heilige Geest" zo verzekert ons de Heilige Geest door dit Heilig sacrament, dat Hij bij ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe eigenende het geen wij in Christus hebben, namelijk, de afwassing van onze zonden, en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.

Weer leest ze, "alle kwaad van ons weren, of......ten beste keren wil?"

Ze denkt hier eens goed over na. Wil dat zeggen, denkt ze, ook als ons iets ergs overkomt, zoals nu, (door haar eigen schuld, dat ook dan nog, God er een hoger, een beter, doel mee kan hebben. Wil God door ZIJN genade, onze zonden ombuigen, doen meewerken ten goede? Kunnen wij dat alleen niet begrijpen, want wij zondige mensen, denken het altijd béter te weten, beter dan God onze Schepper. Ze denkt aan het voorbeeld, wat ze eens hoorde, maar wat haar niet meer loslaat, "ons leven lijkt op een borduurwerk". Wij mensen, zien steeds de "onderkant" van het borduurwerk, maar God kijkt naar de "bovenkant van ons menselijk borduurwerk". HIJ wéét waarom, al die gekleurde steken alle kanten op moeten, om tot een perfect resultaat te komen.

Dan komt Psalm 139 : 1 + 9 + 14 in haar gedachten op;

Niets is o Oppermajesteit,
Bedekt voor UW alwetendheid.
Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daan;
Gij weet mijn zitten en mijn staan;
Wat ik beraad of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.

Gij hebt, wijl niets Uw oog weerhoudt,
Mijn ongevormde klomp beschouwd;
Ja Gij, wiens wijsheid nimmer faalt,
Hadt mijn geboortestond bepaald;
Eer iets van mij begon te leven,
Was alles in Uw boek beschreven.

Doorgrond m' en ken mijn hart o Heer;
Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef m, en zie of mijn gemoed,
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed';
En doe mij toch met vaste schreden,
De weg der zaligheid betreden.

Maar nu gaat voor Lenie, toch ook een "lichtje op" ze zit in de problemen, dat is zeker, maar "door haar problemen", heeft God haar op de goede weg terug gebracht. Ja tot stilstaan gedwongen en tot nadenken gebracht.

Maar ook tot grotere geloofshoogte dan ooit voorheen.

Maar bij de lusten; van "vergeving der zonden", staan ook de lasten, van het "derde deel" van het doopsformulier, waarin staat, dat wij ook weer vermaand en verplicht worden, tot "nieuwe gehoorzaamheid", namelijk, dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben met heel ons hart, met alle kracht die in ons is. Onze "oude natuur doden" en in een nieuw Godzalig leven wandelen. Maar mochten wij soms uit zwakheid weer in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet twijfelen, of in de zonden blijven liggen, daar de Doop een ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een "eeuwig verbond" der genade met God hebben. Maar Gods belofte is ook voor haar kind; zo beloofd God ook aan Abraham, de vader aller gelovige; Genesis 17:7 "IK zal MIJN

Verbond oprichten tussen MIJ en tussen u, en tussen uw zaad na u". Maar ook dan staat er weer een "tegen daad", die God van ons verwacht, wij ouders zijn verplicht om onze kinderen bij het opgroeien, hiervan breder te onderwijzen. Dan slaat ze in haar bijbeltje de catechismus op bij :Zondag 26 en Zondag 27 en leest de vragen en antwoorden over de doop aan kleinen kinderen. Wat is ze haar ouders dankbaar dat ze gedoopt is, dat pap en mam haar zijn voor gegaan aangaande de te verwachtte Godsvrucht en Zijn genade verbond. Dat hadden haar ouders goed gedaan, hen trof geen blaam, maar ze was zelf, van het God pad afgeweken. Nee ze weet heel goed, zij zal haar kind zo God het geboren wil laten worden, Christelijk opvoeden. Zeker nu ze zelf zoveel steun, kracht en geloof mocht ontvangen. God zelf is steeds de éérste, ik zocht Hem niet, maar God bleef mij steeds zoeken. Hij verliet niet wat Zijn Hand begon, ze denkt, o Levensbron, wil bijstand geven. Ja telkens opnieuw bewijst HIJ Zijn liefde voor ons mensen. Ze weet zich gedragen, ze vertrouwt nu op Zijn ontfermende genade. Opnieuw pakt ze nog even haar bijbeltje en leest het openslagen gedeelte, waar haar boeken leggertje ligt; Mattheus 28:19 waar staat; Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dopende in de Naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest; lerend hen onderhouden alles, wat IK u geboden heb. Ze weet het heel zeker God heeft weer een plan met haar, ze zal zich voortaan open stellen voor Gods plannen, wat Zijn weg ook met haar zal zijn. Het zal "een goede weg" zijn, ZIJN Weg. Dan begint ze opeens te neuriën; Joh. De Heer nr 880;Wat de toekomst brengen mogen, Mij geleidt des Heren hand.Maar dan stopt ze met neuriën en pakt het bundeltje van Joh.de Heer erbij.Dan begint ze opnieuw, dan zingt ze, ja zingt ze het helemaal in aangepaste vorm. Ook voor die andere moeder en haar kind.

"Wat de toekomst brengen moge"

Wat de toekomst brengen mogen;
"ons" geleidt des Heren hand;
moedig slaan wij dus de ogen,
naar het onbekende land.
Leer "ons" volgen zonder vragen;
Vader, wat Gij doet is goed!
Leer "ons" slechts het heden dragen,
Met een rustig kalme moed!

Heer ik wil Uw liefde loven,
Al begrijpt mijn ziel U niet,
Zalig "zij" die durft geloven,
Ook wanneer het oog niet ziet,
Schijnen "ons" Uw wegen duister,
Zie ik vraag U niet waarom?
Eenmaal zie ik al Uw luister,
Als ik in Uw Hemel kom!

Laat "ons" niet ons lot beslissen:
Zo ik mocht ik durfde niet.
Ach, hoe zou ik mij vergissen,
Als Gij mij de keuze liet!
Wil mij als een kind behand'len,
Dat alleen de weg niet vindt:
Neem mijn hand in Uwe handen,
en geleid ons als een kind.

Waar de weg ons brengen moge,
Aan des Vaders trouwe hand,
Loop ik met gesloten ogen,
Naar het onbekende land.

Als ze uitgezongen is staat ze op, begint de kamer op te ruimen en gaat ze koffie zetten. Net als de koffie klaar is, hoort ze een auto stoppen, vlug loopt ze naar het raam en ja hoor daar zijn pap en mam al, met een grote bos bloemen.

Snel opent ze de deur, eenmaal binnen vallen ze elkaar om de hals en huilen alle drie van verdriet, maar ook van blijdschap. Hun kind is terug, terug van de brede godloze weg, de "vergankelijke" weg. Terug op weg naar huis, terug op weg naar "Het Vaderhuis" met de vele woningen.

En u die dit leest? Kunt u wél de éérste steen gooien?
Jezus zegt; "Wie zonder zonde is, die werpen de éérste steen?
Welke zonde ligt u het meest nabij? Heeft u die zonden al beleden voor God?
Kunnen en willen, wij andere ook vergeven?

Jezus zegt; Matthéüs 6:14+15 Zo gij niet vergeeft; zo zal ook uw Hemelse Vader, u niet vergeven!

Met de hoop en de bede, dat dit schrijven mag meewerken, tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk en tot meerdere glorie van God.
Dan is dit werk, niet voor niets geweest, maar wel met liefde gedaan.

Alle tekst en gedichten van,

E. Mens van Wijk.


Zie ook